We merken het nu nog

Econoom Edin Mujagic noemt 1971 het jaar waarin de wereld veranderde. En wel op 15 augustus, 50 jaar geleden, toen president Richard Nixon de koppeling tussen de dollar en goud ‘tijdelijk’ opschortte. Een koppeling die nooit meer is teruggekeerd.

Volgens Mujagic is dat het begin van een ‘uniek economisch tijdperk’, zo schrijft hij in zijn pas verschenen boek Keerpunt 1971: ‘Voor het eerst in de geschiedenis had geld namelijk geen anker. In de eeuwen daarvoor was geld gemaakt van goud of zilver, of waren er bankbiljetten die inwisselbaar waren voor edelmetaal tegen een vaste prijs.’

In 1944 was juist besloten tot een systeem van vaste wisselkoersen. Valuta’s van deelnemende landen, waaronder de gulden en de Duitse mark, werden gekoppeld aan de dollar. De dollar was als enige vrij inwisselbaar in goud (tegen de vaste prijs van 35 dollar per troy ounce) en werd daarmee dé wereldmunt. Dat ging mis toen de Amerikanen steeds meer dollars in omloop brachten, om de hoge eigen uitgaven te financieren. De koers van de munt kwam onder druk te staan, en andere landen moesten dollars kopen om de binnen het Bretton Woods-stelsel afgesproken wisselkoersverhouding te verdedigen.

Een onvermijdelijke val

Naarmate de hoeveelheid dollars toenam, groeide het wantrouwen in andere landen: zou er voldoende goud zijn als ze die dollars wilden inwisselen tegen het edelmetaal? Zo ontstond vanzelf een run op de verhoudingsgewijs steeds kleinere voorraad goud, die uiteindelijk zou uitmonden in het onvermijdelijke einde van de goudstandaard. Al eerder, in mei 1971, stopte het toenmalige West-Duitsland met de opkoop van dollars, gevolgd door onder meer Nederland.

Dat was, zo schrijft Mujagic, het begin van een nieuw tijdperk. ‘Met de loskoppeling van de dollar konden de centrale banken ongedekt én onbeperkt nieuw geld bijdrukken. En dat deden ze ook.’ Vanaf 1971 is het volgens de econoom ‘de regel’ dat de hoeveelheid geld in de economie sneller groeit dan de (reële) economie zelf. Hij noemt schulden opvoeren ‘de kern van het economisch model’ sinds 1971, waardoor ondanks mondialisering (de terugkeer van China op het wereldtoneel) en automatisering de prijzen jaar op jaar stijgen.

Inflatie als het nieuwe normaal

Sterker nog: het aanwakkeren van inflatie is de doelstelling van centrale banken (het officiële doel is een inflatie van niet meer dan 2 procent), volgens de econoom om de gestegen schulden draaglijk te houden. Het geleende geld wordt immers steeds minder waard. ‘De wereld had kunnen baden in deflatie,’ aldus Mujagic.

Dit was ook al een thema in zijn eerdere boek Geldmoord: het is zijns inziens aan het ruime monetaire beleid te danken dat het geld jaar op jaar aan waarde verliest. Deflatie wordt in zijn ogen ‘gedemoniseerd’. Door een combinatie van  ‘relatief lage loonstijgingen’ en aanhoudende inflatie, heeft de gemiddelde burger volgens Mujagic onvoldoende geprofiteerd van de economische vooruitgang.

Economische wetenschap kent geen laboratorium

Waren we inderdaad beter af geweest zonder uitbundige geldgroei, lage rente en inflatie? Bij het andere uiterste, vasthouden aan de gouden standaard, was de economische groei beperkt door een voorraad edelmetaal – dat klinkt niet erg aanlokkelijk. Bestaat er zoiets als een gulden middenweg? Het probleem van elke analyse van de economische geschiedenis is dat de effecten van een ander beleid altijd onbekend zullen blijven. Er bestaat niet zoiets als een laboratorium waarin we de loop van zaken na 1971 kunnen nabootsen als er andere besluiten waren genomen.

Feit is dat de wereld er qua welvaart niet slechter op geworden is na 1971. Dus wat is het probleem? Mujagic ziet dat ook. Maar: ‘Het eerlijke verhaal is dat de economische groei niet meer op schulden kan drijven. (…) Schuldcreatie kan een lange tijd een drijvende kracht achter economische groei zijn, maar dat spel stopt wanneer de schuld te hoog wordt.’

Wanneer zijn schulden te hoog, en kunnen we onbeperkt geld drukken?

De vraag is waar die grens ligt. Op wereldniveau zijn er geen schulden: tegenover elke schuldenaar staat een schuldeiser. Voor landen, bedrijven en burgers wordt het niettemin precair als schuldeisers hun geld terug willen zien of alleen tegen een hogere rente opnieuw willen uitlenen. Hoge schuldniveaus maken een economisch systeem dus kwetsbaar, zo werd  pijnlijk duidelijk tijdens de kredietcrisis die in Europa overging in een schuldencrisis.

De aanhangers van de moderne geldtheorie zeggen dat geld bijdrukken helemaal geen probleem is, zolang je als land je eigen munt hebt. Overheden kunnen zo vrijwel onbeperkt meer uitgeven dan ze aan belastingen binnenkrijgen. Pas als de inflatie oploopt moet je ingrijpen, want dat is een teken dat de ‘echte’ economie tegen haar fysieke grenzen aanloopt. De aanhangers van deze theorie zijn feitelijk de erfgenamen van de Nixon-shock uit 1971: geld heeft waarde omdat we het gebruiken, niet omdat we het kunnen inruilen voor iets tastbaars als goud.

En de dollar? Die zit nog altijd ferm in het zadel

Terug naar de dollar. Het besluit van 50 jaar geleden heeft er niet toe geleid dat de dollar irrelevant is geworden. De dollar werd zelfs nóg belangrijker nadat Nixon wist te regelen dat Saudi-Arabië zijn olie ging afrekenen in de greenback. De dagen van de dollardominantie zijn nog niet geteld, mede doordat er geen volwaardig alternatief is. De euro blijft het product van een intern verdeelde en onvoldragen muntunie, China is een nieuwe grootmacht maar beschikt nog niet over een vergelijkbare kapitaalmarkt waar dollarbeleggers hun bezittingen veilig kunnen stallen.

Maar blijft dat zo? Harold James, hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Princeton, voorziet in de toekomst een ‘digitale’ Nixon-shock. Volgens hem beweegt de wereld naar geld dat is gebaseerd op ‘informatie’ in plaats van op ‘de geloofwaardigheid van een bepaalde overheid’. En dan hebben we het natuurlijk over digitale munten.

Tot dusver zijn cryptovaluta’s meer een speculatiemiddel dan geschikt voor transacties. Het afscheid van de dollar is vaak voorspeld, maar tot dusver is de dominantie hooguit afgenomen. En centrale banken? Die kopen weer goud, na jarenlang hun reserves te hebben afgebouwd. ‘1971’ veranderde veel, maar niet alles.

Dit stuk is 23 augustus jl. gepubliceerd in EWmagazine.nl

 

Het bericht We merken het nu nog verscheen eerst op OHV.

Source



Categories: Research