Inkomens huishoudens blijven licht stijgen

  • Cao-loonstijging 2021 kan niet veel lager dan 1%
  • Veel pensioenen worden iets verlaagd maar de AOW stijgt
  • Werkloosheidsuitkeringen houden de inflatie nu nog bij
  • De risico’s voor huishoudens zijn vooral werkloosheid en schulden

[Download niet gevonden]

Januari is normaliter de maand waarin de inkomens van huishoudens stijgen. Cao-loonstijgingen gaan relatief vaak in deze maand in, net als fiscale wijzigingen die invloed hebben op het nettoloon. Het aanpassen van aanvullende pensioenen vindt in januari plaats. Het minimumloon gaat in januari en juli omhoog net als de daaraan gekoppelde uitkeringen zoals AOW en bijstand. We verwachten dat ook in januari 2021 de inkomens van huishoudens gemiddeld genomen stijgen, maar dat dit een stuk minder is dan in andere jaren. Daarvoor lopen we in deze publicatie langs drie bronnen van inkomen van huishoudens: loon, pensioen en werkloosheidsuitkeringen. Deze drie bronnen van inkomen laten nog steeds een zwakke groei zien – als de voortgang van een schip waarvan de motoren net zijn uitgevallen. De risico’s voor de meeste huishoudens zitten in een andere hoek: werkloosheid en schulden.

Cao-loonstijging 2021 kan niet veel lager dan 1%

De tweede coronagolf kan de bedrijfsomzetten en daarmee de loonruimte onder druk zetten. Ook kan zo’n tweede golf de werkloosheid verder laten oplopen waardoor de onderhandelingspositie van werkgevers beter wordt. Er is dus, zowel vanuit betaalbaarheid als vanuit onderhandelingspositie beredeneerd, minder ruimte voor loonstijgingen dan anders. Dit wil echter niet zeggen dat de contractloonontwikkeling in 2021 veel lager kan zakken dan de door ons geraamde 1,1%. Zoals we eerder deze maand signaleerden is de rek daar enigszins uit. Een groot deel van de contractloonontwikkeling in 2021 ligt al vast dankzij ‘loonrigiditeit’: de loonafspraken zijn al gemaakt in 2019 of 2020 en kunnen niet meer gewijzigd worden. De NOW-regeling zorgt er vooralsnog voor dat veel van de bedrijven waar dit zo is, niet failliet gaan. Voor het gedeelte van de contractloonontwikkeling dat nog niet vast ligt geldt dat deze niet lager dan 0% kan, omdat het in zo’n geval gunstiger is voor werknemers om hier niet mee akkoord te gaan waardoor de oude, verlopen cao geldt.

Hoe het gedeelte van de contractloonontwikkeling dat nog niet vastligt eruit ziet, wordt duidelijk door te kijken naar enkele grotere cao’s. Bij ruim een miljoen werknemers moeten bijvoorbeeld in slechts vijf cao’s afspraken voor (een deel van) 2021 gemaakt worden: supermarkten, rijksambtenaren, gemeenteambtenaren, ziekenhuizen en metaal&techniek. De loonafspraken die in de drie (semi-)publieke cao’s gemaakt zullen worden zijn relatief voorspelbaar omdat de systematiek en begrotingsruimte die daarvoor geldt, al bekend is. Bovendien zitten in de cao’s die voor een deel van 2021 zijn afgesloten (ziekenhuizen, metaal&techniek) al loonstijgingen. In het gedeelte van het jaar waarover geen afspraken gelden zitten waarschijnlijk geen grote verrassingen. Anders is het in sectoren waar de bedrijfsomzetten de suggestie wekken dat er loonruimte is, zoals supermarkten. In andere bedrijven en sectoren die lijken te profiteren van de coronacrisis werden de afgelopen weken relatief hoge loonafspraken gemaakt, zoals IKEA (2,8%) en bouwmateralen (2%).

Al met al kan een enkele cao nog voor een verrassing zorgen, maar ligt de contractloonontwikkeling voor 2021 verder grotendeels vast. Wij denken dat het zonder loonoffers feitelijk onmogelijk is dat deze onder de 0,9% zakt. Waarschijnlijker is het dat de contractloonontwikkeling, ook bij een zware tweede coronagolf, op 1,1% blijft. Deze 1,1% is een stuk lager dan je op basis van recent afgesloten cao’s zou verwachten – dit komt doordat die deels nog over 2020 gaan en omdat dit bedrijven en sectoren zijn waar überhaupt nog ruimte is voor nieuwe loonafspraken.

Veel pensioenen worden iets verlaagd maar de AOW stijgt

Er wordt momenteel door overheid en sociale partners druk gesleuteld aan de overgang van het oude naar het nieuwe pensioenstelsel. Één van de vragen daarbij is wat voor dekkingsgraad voor pensioenfondsen genoeg is om zonder verlagingen over te gaan naar het nieuwe stelsel. Mogelijk is dit in de komende jaren niet 100%, maar 90. Het lijkt er hoe dan ook op dat de 90% die voor 31 december aanstaande geldt, overeind blijft. Is de actuele dekkingsgraad dan lager, dan moeten pensioenfondsen korten. We gaan ervan uit dat dit in 2021 geldt voor zo’n anderhalf miljoen gepensioneerden. De kortingen werken daarnaast door in de toekomstige pensioenen van zo’n vijfeneenhalf miljoen werkenden. De korting voor anderhalf miljoen gepensioneerden zal, uitzonderingen daargelaten, klein zijn en over meerdere jaren worden gespreid waardoor lage pensioeninkomens er per maand enkele euro’s op achteruit kunnen gaan en hoge pensioeninkomens enkele tientjes. Dit geldt met name ook voor de twee grootste pensioenfondsen ABP en PFZW. We verwachten dat de actuele dekkingsgraad van deze fondsen over september (die morgen bekend wordt gemaakt) net als die over december onder de 90% zal zitten.

Gemiddeld genomen gaan gepensioneerden – en dan met name lage pensioeninkomens – er toch iets op vooruit dankzij de stijging van de AOW. Hoe lager het aanvullend pensioen, hoe groter het gewicht van de AOW-stijging. De AOW is gekoppeld aan het minimumloon, dat op 1 januari naar verwachting stijgt van € 1680,00 naar € 1684,80. We verwachten dat dankzij enkele fiscale wijzigingen de netto AOW van een alleenstaande alsnog stijgt van € 1201,42 naar € 1216,49. Op 1 juli volgt er nog een halfjaarlijkse stijging.

Werkloosheidsuitkeringen houden de inflatie nu nog bij

Ook de aan het minimumloon gekoppelde bijstand stijgt nog enigszins door dankzij fiscale wijzigingen: een alleenstaande ontvangt nu € 1006,08 per maand en we verwachten dat dit € 1022,11 wordt. Bij gelijkblijvend beleid is dit voortaan echter nog maar zo’n 3 euro per half jaar: niet genoeg om de inflatie bij te houden. Vanaf de tweede helft van 2021 voorzien we daarom een stapsgewijze koopkrachtdaling voor bijstandsgerechtigden. Dit is een daling die een relatief grote groep treft. We verwachten dat er begin 2021 zo’n 450.000 mensen in de bijstand zitten en dat dit aantal in 2021 groeit.

De WW wordt halfjaarlijks aangepast in lijn met de stijging van het brutominimumloon per dag. Op 1 juli 2020 was dit 1,60% en we verwachten dat dit 0,28% zal zijn op 1 januari 2021 en 0,70% op 1 juli 2021. Hoewel de stijging van 1 januari miniem is blijft de trend op jaarbasis in de buurt van onze inflatieverwachting.

De risico’s voor huishoudens zijn vooral werkloosheid en schulden

Hoewel zowel voor loon, pensioen als uitkeringen geldt dat individuele huishoudens er op achteruit kunnen gaan, lijken gemiddeld genomen deze inkomenscategoriën in 2021 nog iets van groei te zien. Die matige groei kan in 2022 en 2023 echter nog lager zijn. Bovendien is het belangrijkste risico voor huishoudens niet wat er binnen inkomens gebeurt, maar of er al dan niet verlies van inkomen optreedt – zoals werkenden die werkloos worden.

Zo komen momenteel veel ZZP’ers in de bijstand terecht en verwachten we dat in 2021 de werkloosheid nog verder toeneemt – wat een betekent dat een deel van de werknemers via de WW in de bijstand komt. Daarmee wordt een groeiende groep mensen afhankelijk van een uitkering die de inflatie niet bijhoudt. ZZP’ers zullen dat in sommige gevallen moeten combineren met het aflossen van de schulden die voortkomen uit hun bedrijfsbeëindiging. Ook mensen die zonder schulden in de bijstand belanden kunnen die na verloop van tijd opdoen – een verschijnsel dat groeit naarmate de uitkering achterblijft bij de inflatie.

 

Het bericht Inkomens huishoudens blijven licht stijgen verscheen eerst op Insights.

Source

Categorised in: ABN Amro, Economie, Research

%d bloggers liken dit: