De week van uitdaging kabinet op arbeidsmarkt, PMI vs economische groei en schuldenproblematiek bijstandsgerechtigden

  • Door corona geraakte sectoren nog steeds populair bij werkzoekenden
  • Verbetering Inkoopmanagersindex niet altijd voorbode terugkeer economische groei
  • Koopkrachtdaling bijstandsgerechtigden verergert schuldenproblematiek

[Download niet gevonden]

Arbeidsmarkt vormt groeiende uitdaging voor kabinet

De coronacrisis zal langdurige effecten hebben voor de arbeidsmarkt. Naar verwachting zal de werkloosheid de komende jaren beduidend hoger liggen dan voorheen. Degenen die werkloos raken, zullen bovendien meer moeite ondervinden om een nieuwe baan te vinden. Hoe langer zij aan de kant staan, hoe meer vaardigheden zij verliezen en hoe lastiger zij het krijgen om een nieuwe baan te vinden tegen een salaris dat vergelijkbaar is met het laatste salaris.

Het risico van baanverlies verschilt sterk per sector en beroep. Dit is ook terug te zien in de publicatie ‘Kansrijke en minder kansrijke beroepen’ van het UWV. Deze publicatie maakt inzichtelijk voor welke beroepen nog veel vacatures zijn (ICT, zorg en onderwijs), waar de kans op een baan langdurig beperkt is (administratief, cultuur en dienstverlenende beroepen) en waar de kans op een baan tijdelijk beperkt is (transport, detailhandel en horeca).

Dit soort inventarisaties helpt werkzoekenden zich te oriënteren op een volgende carrièrestap. Moet ik mij omscholen en werk zoeken in een heel andere sector, of benut ik deze periode om mijn vakkennis bij te spijkeren, zodat ik later beter beslagen mijn oude beroep kan hervatten?

De nieuwe NOW 3.0-regeling vormt een extra reden om over deze vragen na te denken. Bij NOW 3.0 komen minder bedrijven in aanmerking voor de nieuwe regeling. Alleen de zwaarst door corona getroffen sectoren maken aanspraak op een tegemoetkoming in de loonkosten bij omzetverlies. Ten tweede zijn de voorwaarden strenger. Het minimale omzetverlies was 20% en wordt 30%. Ten derde daalt de vergoeding. De tegemoetkoming gaat van 90% naar eerst 80% en uiteindelijk 60% van de loonkosten. Door de nieuwe voorwaarden zullen meer bedrijven afstand doen van hun werknemers. Dat kan ook, want ook bedrijven die banen schrappen, komen nu in aanmerking voor de nieuwe NOW-regeling.

Werknemers zijn dus minder zeker van hun baan en hun inkomen. Het is daarom interessant welk effect dit op zoekgedrag van werklozen heeft. Uit de meest recente UWV-gegevens concluderen wij dat de activering van door corona geraakte beroepen naar de beroepen waar het werk zit nog niet bepaald wil vlotten. Sterker, de zoekactiviteit is in de zomer van 2020 licht afgenomen. Juist de zoekactiviteit naar de kansrijke beroepen is sterker afgenomen dan de zoekactiviteit in kansarme en door corona geraakte beroepen.

Sinds 18 augustus is er wel een lichte kentering in dit patroon. Het is te vroeg om te weten of dit een eenmalige of een doorzettende trend is, maar de richting is de juiste. Mensen moeten minder zoeken naar werk in de geraakte beroepen en juist meer in de beroepen waar volgens het UWV de banen nu en in de toekomst liggen. Deze analyse is gemaakt op basis van een selectie van 45 beroepen die het UWV aanmerkt als hard geraakt door de coronacrisis deze zomer en 30 beroepen waarvan het UWV meldt dat er juist goede en toenemende arbeidsmarktkansen zijn.

Wat opvalt is de ogenschijnlijke mismatch tussen het opleidingsniveau van de beroepen die geraakt zijn, en de veel specialistischere en hoger opgeleide beroepen waar de kansen liggen. Hier ligt een uitdaging van jewelste voor het kabinet.

De Inkoopmanagers index in Nederland duidt nog steeds op krimp; is dat erg?

Hoewel de Nederlandse economie een historisch grote krimp liet zien in het tweede kwartaal (-8,5% k-o-k), was het nog relatief gering ten opzichte van andere Eurozone landen. Een eerdere analyse liet zien dat dit voornamelijk kwam door de relatief milde virus uitbraak en de daarbij behorende mildere lockdown maatregelen in Nederland, royale overheidsmaatregelen, een vergaande gedigitaliseerde economie en minder afhankelijkheid van toerisme. Deze factoren zouden ook nog in het derde kwartaal van dit jaar moeten doorwerken. Echter geeft de NEVI Inkoopmanagersindex (ook wel PMI genoemd) een ander signaal af.[1] Terwijl de PMI in de meeste eurozonelanden in juli terugveerde naar een niveau van boven de 50 (wat duidt op groei van de industriële sector ten opzichte van een maand geleden), bleef de PMI in Nederland onder de 50 (47,9). Dat duidt op een voortdurende afname van de industriële bedrijfsactiviteit in Nederland.

Maar gelukkig maakt een winterkoningje nog geen winter. Kijkend naar de inkoopmanagersindices van andere landen valt op dat de val van de Nederlandse industrie in april minder diep is. Terwijl de PMI in Duitsland, het VK en de eurozone als geheel terugviel naar onder de 35, bleef de index in Nederland boven de 40. Daarnaast loopt de Nederlandse industrie iets achter op het eurozone gemiddelde. De Nederlandse industrie levert veel aan andere industriële bedrijven in de rest van Europa, met name in Duitsland. Dus een herstel in Duitsland wordt vaak gevolgd door een herstel in Nederland. Wat ook meespeelt is dat dat veel fabrieken in andere eurozonelanden gesloten waren tijdens de corona crisis, ook vanwege strenge ‘lockdowns’, terwijl Nederland doorging met produceren. Daardoor zijn er in Nederland voorraden gereed product zijn ontstaan, die eerst weer moesten worden verkocht voordat er nieuwe productie tot stand kwam.

De inkoopmanagersindex van augustus – die aankomende dinsdag wordt gepubliceerd – zou dan ook wel eens een herstel (niveau van boven de 50) kunnen laten zien. We moeten overigens voorzichtig zijn met het doorvertalen van de index naar economische groei, zeker voor Nederland. De inkoopmanagersindex is over het algemeen een goeie voorlopende indicator voor bbp-groei, maar kan flink vertekend zijn door disrupties in de wereldwijde toeleveringsketens. Daarnaast is Nederland meer service georiënteerd. De industriële sector – waar de inkoopmanagersindex een goeie voorlopende indicator voor is – draagt ongeveer 18% bij aan het bbp in Nederland, ten opzichte van bijvoorbeeld 31% in Duitsland.

[1] De NEVI Inkoopmanagersindex (ook wel PMI genoemd) is een index die gevolgd wordt door analisten en investeerders om de stand van de economie in te schatten, met name hoe de industriële sector ervoor staat. Onderzoek wijst uit dat de PMI inderdaad voorloopt on de industriële cyclus. PMI’s worden berekend aan de hand van enquêtes, waarin inkoopmanagers wordt gevraagd of de toestand van het bedrijf en de branche ten opzichte van de voorgaande maand volgens hen is verbeterd, gelijk is gebleven of is verslechterd. Een score van boven de 50 wijst op een groei van de industriële sector, een score onder de 50 wijst op een afname. Luister ook de podcast over de PMI. 

Koopkrachtdaling bijstandsgerechtigden verergert schuldenproblematiek

De Nederlandse Schuldhulproute (NSR), een project van SchuldenlabNL, raamde deze week samen met Deloitte dat het aantal huishoudens met problematische schulden dit jaar stijgt van EUR 1,3 miljoen naar EUR 1,9 tot EUR 2,6 miljoen. Dit zou met name komen door de oplopende werkloosheid in het aankomende najaar. Wij onderschrijven deze trend en de genoemde cijfers lijken in grote lijnen te kloppen.

Wel merken wij op dat SchuldenlabNL, een initiatief dat door veel schuldeisers wordt ondersteund, deze analyse combineert met oplossingen zoals het ‘financieel fit maken’ van mensen door ze ‘grip te laten krijgen’ op hun financiën. Uit onderzoek naar financiële stress en schulden blijkt echter dat de primaire reden voor financiële problemen simpelweg geldtekort is. Het organiseren van de eigen financiën speelt een secundaire, daarvan afhankelijke rol.

Naast een toename op de korte termijn door de oplopende werkloosheid, zien wij op de iets langere termijn ook de hoogte van de bijstand bijdragen aan het aantal huishoudens met problematische schulden. De bijstand is gekoppeld aan de cao-lonen en zou daarom in een gemiddeld jaar iets boven inflatie moeten stijgen. Maar er zijn ook drie andere factoren van invloed op het uit te keren bedrag.

Ten eerste draagt in 2019-2021, door de belastinghervorming van dit kabinet, een lager percentage inkomstenbelasting in de laagste schijf bij aan een hoger bijstandsbedrag. Ten tweede draagt in deze periode ook de naar boven bijgestelde algemene heffingskorting bij aan een hoger bijstandsbedrag. Ten derde wordt sinds 2012 het percentage van de heffingskorting dat gebruikt mag worden, geleidelijk afgebouwd van 200% naar 100%, waardoor het bijstandsbedrag juist daalt.

In de jaren 2019-2021 leidden de eerste twee factoren ertoe dat de bijstand ongeveer op inflatieniveau steeg. Voor alleenstaanden was dit bijvoorbeeld elk half jaar ongeveer met een tientje per maand. Indien, uitgaande van gelijkblijvend beleid, de eerste twee factoren wegvallen, zal dit vanaf 2022 afvlakken. Zowel op basis van onze eigen loonprognose als die van het CPB, komen wij uit op een stijging van ongeveer drie euro per half jaar, te beginnen in januari 2022. Die terugval van tien naar drie euro per maand erbij zou het verschil maken tussen een gelijkblijvende koopkracht voor bijstandsgerechtigden zoals nu, en een dalende koopkracht vanaf 2022.

Waar hogere inkomens manoeuvreerruimte hebben bij een koopkrachtterugval (minder sparen, minder luxe-uitgaven), hebben bijstandsgerechtigden dit minder. De toevlucht in schulden is daardoor eerder gemaakt. Daarnaast stijgt ook het aantal bijstandsgerechtigden weer. Daarom verwachten wij dat schuldenproblematiek hoog op de beleidsagenda zal staan de komende jaren – het onderwerp heeft ook onze aandacht in aankomende publicaties. (Piet Rietman)

 

Het bericht De week van uitdaging kabinet op arbeidsmarkt, PMI vs economische groei en schuldenproblematiek bijstandsgerechtigden verscheen eerst op Insights.

Source

Categorised in: ABN Amro, Economie, Research