Brexit update – Langverwachte brexit met langetermijngevolgen

  • De onderhandelingen over een brexit-akkoord slepen zich nog voort. Het risico van een ‘no-deal’ brexit zonder akkoord is toegenomen, maar we verwachten dat het VK en de EU het uiteindelijk eens worden
  • Ook een brexit met akkoord levert schade voor de Nederlandse economie op
  • De directe gevolgen zoals handelsschokken als gevolg van grensproblemen kosten Nederland 0,7% van het bbp
  • De grootste schade ontstaat echter op de langere termijn doordat de potentiële groei afneemt
  • Dit wordt veroorzaakt door structurele veranderingen in het handelsverkeer en tweede-ronde-effecten op innovatie
  • Lagelonenlanden profiteren wellicht meer dan Nederland van bedrijfsverplaatsingen als gevolg van de brexit

[Download niet gevonden]

Brexit is nu realiteit

Het Verenigd Koninkrijk (VK) verlaat de Europese Unie (EU) op 31 december wanneer de transitieperiode, waarin het VK na het formele vertrek in januari nog informeel lid van de EU was, afloopt. Op het moment van publicatie zitten de besprekingen over een vrijhandelsverdrag na de brexit nog muurvast. We verwachten dat er een akkoord komt, maar het is onduidelijk of dit nog in 2020 lukt of pas in 2021. De resterende geschilpunten zijn de visquota, gelijke concurrentieregels (‘level playing field’) en het toezicht op de gemaakte afspraken.

Intussen worden vanaf 1 januari ‘non-tariff barriers’ (niet-tarifaire belemmeringen, ntb’s) merkbaar in het internationale goederenverkeer. Op de korte termijn zullen ntb’s zich naar verwachting in de vorm van douaneproblemen manifesteren. Hoewel nog niet duidelijk is hoe streng de controles aan de grens van het VK worden, behoren uitvoerverklaringen, douaneaangiften en toelatingsformulieren tot de mogelijk vereiste documenten. Op de langere termijn voorzien we ntb’s in de vorm van regelgevingskosten. Een van de redenen waarom het VK uit de EU wilde stappen, is de vrijheid om niet aan bepaalde EU-regelingen te hoeven voldoen. Verschillen in regelgeving met de EU zullen het op termijn echter steeds moeilijker maken om goederen te verhandelen, waardoor de ntb’s mettertijd toenemen.

Diensten zijn tot dusverre buiten beeld gebleven. Een stabiele ‘gelijkwaardigheidsovereenkomst’ (‘stable equivalence’) voor de financiële sector is er dus niet. Dit houdt in dat dienstverlenende bedrijven in de EU dochterondernemingen in het VK moeten opzetten en vice versa als zij in het andere rechtsgebied zaken willen blijven doen. Ntb’s kunnen de handelsrelaties tussen het VK en Nederland na de brexit ernstig verstoren. Het is nog heel onzeker hoe ingrijpend de ntb’s worden: hoe sterker het VK afwijkt van de EU-normen, des te hoger worden de barrières.

De mogelijke negatieve effecten voor de Nederlandse economie

Het hoofd kanaal waarlangs Nederland de gevolgen van de brexit ondervindt, is de handel. Het VK is voor Nederland een belangrijke handelspartner. Al jaren is het VK, na Duitsland, de belangrijkste exportbestemming voor goederen en diensten samen. In 2019 bedroeg de exportomzet van goederen en diensten vanuit Nederland naar het VK EUR 60 miljard. De exportverdiensten (exportomzet minus waarde van hiervoor benodigde geïmporteerde goederen en diensten) bedroegen bijna EUR 26 miljard ofwel 3,3% van het Nederlandse bbp. De export van diensten vertegenwoordigde iets meer dan de helft hiervan, namelijk EUR 13 miljard tegen EUR 12,5 miljard voor goederen.

Ook al ligt er een akkoord op tafel, dan nog zullen de ntb’s als gevolg van grensproblemen tot extra kosten voor Nederlandse exporteurs leiden en, mocht de Britse douanedienst overbelast raken, tot langere vervoerstijden.

Grensperikelen zullen hoogstwaarschijnlijk de landbouw- en levensmiddelensector verhoudingsgewijs hard treffen vanwege de productie van bederfelijk voedsel, planten en dieren. Door lange wachttijden aan de grens en extra kosten die voor de invoer van producten moeten worden gemaakt, zal de vraag afnemen en kiezen ondernemers in het VK mogelijk voor in eigen land geproduceerde goederen of voor producten van buiten de EU. Bij de invoer van goederen uit niet-EU-landen hoeven Britse importeurs niet aan de EU-normen te voldoen. Dit zou de concurrentiepositie van Europese exporteurs kunnen verslechteren.

Niet alleen de directe handel met het VK, maar ook de indirecte handel wordt geraakt. Zo voeren Nederlandse bedrijven halffabricaten uit naar Duitsland, die Duitsland weer naar het VK uitvoert. Wanneer het VK de interne markt verlaat, ondervinden ook deze handelsstromen hiervan nadelige gevolgen. Deze indirecte netwerkeffecten van de handelsschok zijn fors en versterken de totale impact. Tot slot zal door de verslechterde groeiperspectieven voor het VK zelf de vraag naar Nederlandse exportproducten in het algemeen afnemen.[1]

Voor bedrijven in Nederland die afhankelijk zijn van uit het VK geïmporteerde producten, kunnen de ntb’s de kosten van halffabricaten opdrijven en dus tot geïmporteerde inflatie leiden. Hoewel bedrijven op termijn hun toeleveringsketen wellicht naar andere landen verplaatsen, zullen de kosten enige tijd hoger zijn. Bedrijven waarvoor ‘just-in-time delivery’ van cruciaal belang is, zijn al begonnen hun opslagcapaciteit in Europa uit te breiden met het oog op de verwachte langere wachttijden aan de grens.

Hoewel diensten niet onderhevig aan tarifaire belemmeringen en grenscontroles zijn, zal de export van diensten naar het VK negatief door de brexit worden beïnvloed. Diensten zijn immers sterk vervlochten met de handel in goederen. Bedrijven bieden namelijk vaak een totaalpakket van goederen en diensten aan. Bovendien kunnen diensten gehinderd worden door eisen die aan de andere kant van de grens worden gesteld, zoals de wederzijdse erkenning van certificeringen of toezichthouders. Diensten zijn daarnaast vaak afhankelijk van de vrijheid van vestiging van bedrijven, de vrijheid van overplaatsing van werknemers naar het VK en het vrij verkeer van gegevens. Op deze punten is nog veel onzeker. Met de Services Trade Restrictiveness Index (STRI) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zijn belemmeringen voor de handel in diensten gekwantificeerd.[2] De gemiddelde STRI voor de EU-28-landen is 0,063, terwijl de gemiddelde STRI voor de tien belangrijkste exportbestemmingen van Nederland buiten de EU-28 circa 0,27 bedraagt.

Eerste effecten op handel zijn al zichtbaar

In 2019 bedroeg de totale waarde van de Nederlandse export naar het VK circa EUR 40 miljard. Dit is ongeveer 0,5% minder dan in 2018 (in nominale termen). Volgens het CBS is de groei van de waarde van de export van Nederlandse goederen naar het VK voor het derde achtereenvolgende jaar achtergebleven bij die van de totale Nederlandse goederenhandel. In 2020 lijkt deze trend zich te hebben voortgezet. In een recent verschenen bericht gaf het CBS aan dat in de eerste tien maanden van 2020 de export van goederen van Nederlandse makelij naar het VK 17% lager was dan in dezelfde periode van 2019. Omdat de totale export minder sterk daalde, kan het verschil aan de brexit worden toegeschreven. De onderstaande grafiek laat zien dat sinds het brexit-referendum de Nederlandse export naar het VK als percentage van de totale export in de laatste paar jaar gestaag is afgenomen. Het is lastig om de brexit-effecten en de gevolgen van andere, niet-brexit-gerelateerde macro-economische ontwikkelingen (zoals de groeiende handelsrelaties met opkomende markten, waaronder China) uit elkaar te houden. Het aandeel van de totale handel met de grootste exportpartner (Duitsland) is de laatste jaren echter niet afgenomen, maar constant gebleven op ongeveer 22%.

Sommige bedrijven hebben voorzorgsmaatregelen genomen met het oog op het naderende einde van de transitieperiode op 31 december, maar andere niet. Hoewel de precieze voorwaarden van het handelsakkoord nog onduidelijk zijn, staat het inmiddels wel vast dat grenscontroles onvermijdelijk zijn. Een reden voor de suboptimale voorbereiding door bedrijven kan zijn dat de covid-19-pandemie het vermogen om voorzorgsmaatregelen te nemen heeft belemmerd of de prioriteit hiervan naar de achtergrond heeft gedrongen.

Input-output-model geeft aan dat de brexit in de komende jaren 0,7% van het bbp kost

Het input-output-model neemt alle directe en indirecte kortetermijneffecten van grensproblemen op de handel van goederen en diensten in aanmerking. Verder wordt ook naar de sectorverdeling in Nederland gekeken. De mate waarin hogere ntb’s van invloed op een product zijn, hangt af van de prijselasticiteit van dat product.[3] Olie en gas en toestellen voor communicatie zoals telefoons zijn de belangrijkste producten (gemeten naar exportwaarde in euro) die naar het VK worden geëxporteerd. De prijselasticiteit van olie is bijvoorbeeld gering; indien de prijs stijgt, verandert de vraag nauwelijks. Bij telefoons ligt dit anders: als de prijzen stijgen, neemt de vraag af. Aan de hand van de prijselasticiteit van verschillende goederen die Nederland naar het VK exporteert, kan dit model de macro-economische impact van de brexit op de handel berekenen.

In een studie die we in samenwerking met de universiteit van Leuven hebben uitgevoerd, hebben we vastgesteld dat zelfs een ‘zachte’ brexit met een handelsakkoord de Nederlandse economie ongeveer EUR 4,5 miljard kost (0,7% van het bbp) in de komende paar jaar.[4] Door de Brexit gaan in Nederland ongeveer 17.700 banen verloren. Voor de beeldvorming, het aantal werklozen bedraagt nu 413.000 (4,4% van de beroepsbevolking), zodat de werkloosheid door de brexit vermoedelijk tot 4,6% toeneemt.[5]

Positieve neveneffecten zijn in de uitkomsten van dit model niet meegenomen

Een voorbeeld hiervan is het verplaatsen van economische activiteit van het VK naar EU27-landen, waaronder ook Nederland. Zo is in 2019 het Europees Geneesmiddelenbureau (European Medicines Agency – EMA) van Londen naar Amsterdam verhuisd. Dit gaf onder andere een impuls aan de farmaceutische sector. Onderzoek heeft uitgewezen dat Nederland ook aantrekkelijk is voor dienstverlenende bedrijven in de financiële sector. In dit verband moet worden gedacht aan handelsboetieken (vaak high-frequency traders), partijen die marktinfrastructuren beheren en fintech-bedrijven. Deze bedrijfsverplaatsingen creëren niet noodzakelijk veel nieuwe banen in Nederland, maar kunnen een positief netwerkeffect hebben. Dit zien we als een mogelijke gunstige bijwerking van de brexit op de langere termijn. Andere bedrijven kunnen ook besluiten de oversteek naar Nederland te maken; de ervaring leert dat van deze netwerken een innovatieve impuls uitgaat. Verder houdt het model ook geen rekening met de verlegging van handelsverkeer. Voor Nederlandse export naar het VK wordt op termijn wellicht een andere bestemming gevonden, hoewel uit de literatuur blijkt dat deze effecten doorgaans gering zijn in vergelijking met de directe negatieve handelseffecten. De uiteindelijke positieve neveneffecten van de brexit zijn moeilijk te kwantificeren en komen mogelijk pas na verloop van jaren tot stand. Daarom zijn ze in het input-output-model niet meegenomen.

Negatieve effecten zoals geringere dbi zijn evenmin meegenomen en zijn wellicht groter dan positieve effecten

Los van de gevolgen voor het handelsverkeer kan door de brexit ook het investeringsgedrag van bedrijven veranderen. Vanuit de lange termijn bezien gaan handel en directe buitenlandse investeringen (dbi) hand in hand. Intense handelsrelaties vergroten de kans dat bedrijven in de economie van hun handelspartner investeren. Het effect van brexit op dbi-stromen is weliswaar geringer dan het directe handelseffect, maar substantieel genoeg om in de analyse mee te nemen.

Nederlandse dbi in het VK vertonen dalende trend

De nauwe handelsrelaties tussen de EU en het VK komen ook tot uitdrukking in de dbi-stromen. Het VK is een populaire bestemming van Nederlandse uitgaande dbi. Dit weerspiegelt ook de correlatie tussen dbi en handel, want het VK behoort ook tot de grootste exportmarkten voor Nederlandse bedrijven. De grafiek links hieronder laat zien dat Nederlandse dbi in het VK nog altijd significant zijn maar sinds het brexit-referendum in juni 2016 wel zijn gedaald. Op dit moment vormen de Nederlandse dbi in het VK 10% van de totale dbi tegen 14% begin 2016. De trend dat in de EU gevestigde bedrijven zich qua investeringen terugtrekken uit het VK, is overigens breder, zodat de uitgaande dbi van EU-landen naar het VK in hun totaliteit afnemen. Deze neergaande trend wordt veroorzaakt door het anticiperen op de ntb’s en verlies van markttoegang van bedrijven in het VK tot de interne markt. Deze trends die sinds het brexit-referendum in 2016 zichtbaar zijn, spelen minder in bijvoorbeeld de dbi-stromen tussen Nederland en Duitsland (zie grafiek rechts hieronder). En kunnen hierdoor toegeschreven worden aan de brexit. De Nederlandse dbi in Duitsland zijn ook licht gedaald, maar dit proces begon al in 2014 en wordt vermoedelijk door andere langeretermijnfactoren bepaald.

Dbi van VK in Europa nemen af, maar op korte termijn vertekend beeld door bedrijfsverplaatsingen

We verwachten dat bedrijven in het VK op de korte termijn hun toegang tot de Europese markt veilig stellen via buitenlandse investeringen in de EU. In de meeste gevallen betreffen deze investeringen de verplaatsing van productiecapaciteit van het VK naar een land binnen de interne markt. Op deze manier omzeilen bedrijven de gestegen kosten van handelsverkeer. Dit verklaart ook de toename van de dbi van het VK in Nederland na het brexit-referendum (zie grafiek hierboven). We verwachten dat deze trend aanhoudt. Voor handelsintegratie in ‘global value chains’ verwachten wij dat hier minder een plaats is voor Britse bedrijven. Dit zal leiden tot minder dbi in bedrijven in het VK. Door ntb’s hebben ondernemingen immers minder reden om in het VK gevestigde bedrijven in hun toeleveringsketens op te nemen.

Van deze productieverplaatsing profiteren lagelonenlanden binnen de EU meer dan Nederland. Een goed voorbeeld is de auto-industrie. Autofabrikanten die besluiten hun productie te verplaatsen, kiezen hoogstwaarschijnlijk voor een Oost-Europees land. Nederland zal het vermoedelijk meer van dienstverlenende bedrijven en administratieve (hoofdkantoor)vestigingen moeten hebben. Deze zijn echter minder kapitaalintensief en gaan dan ook niet met omvangrijke dbi-stromen gepaard.

Schade is het grootst op de lange termijn

Op de korte termijn kost de brexit Nederland circa 0,7% van het bbp door vraaguitval als gevolg van administratieve rompslomp, langere wachttijden aan de grens en andere verstorende factoren.

Op de lange termijn is de schade voor Nederland groter. Deze schade betreft economische aanpassingen als uitvloeisel van verschillen in regelgeving, waardoor de kosten van het handelsverkeer tussen het VK en Nederland structureel hoger uitvallen, terwijl ook indirect via de handel met andere Europese landen de gevolgen merkbaar zullen zijn. De impact van bedrijfsverplaatsingen en directe buitenlandse investeringen op de Nederlandse economie zal op de lange termijn minder groot zijn in vergelijking tot de handelseffecten.

Deze langeretermijneffecten zullen het groeipotentieel van de Nederlandse economie drukken. Volgens veel literatuur is de handel een van de drijvende krachten achter de groei van het bbp per hoofd van de bevolking. De brexit is vanuit dit perspectief een stap in de verkeerde richting. Zo zullen Nederlandse bedrijven op de korte termijn profiteren van een verminderde concurrentie van Britse ondernemingen. Vanuit inzichten op bedrijfsniveau weten we echter dat minder concurrentie de innovatiedrang remt en daarmee gevolgen heeft voor de aanbodzijde van de economie. Hoewel moeilijk te kwantificeren, is ons oordeel dat de effecten voor de potentiële langeretermijngroei relatief gering zijn in bbp-termen– en voor Nederland veel geringer dan voor het VK. Tot slot lijkt de brexit – net zoals de handelsoorlog tussen de VS en China – onderdeel te vormen van een bredere trend van deglobalisering. Mocht deze trend aanhouden, dan zou dit kleine open economieën zoals Nederland in het bijzonder raken. Ook de precieze impact hiervan is nog onduidelijk maar het resultaat hiervan is eveneens een neerwaartse bijstelling van de lange termijn groeitrend van de Nederlandse economie.

 

 

 

[1] Klik hier voor meer informatie over de gevolgen van de brexit voor de verwachte ontwikkeling het bbp van het VK en hier voor onze voorspellingen voor het Britse pond (GBP).

[2] De STRI-indicatoren gaan uit van waarden tussen 0 en 1, waarbij 1 staat voor het meest restrictieve handelsklimaat.

[3] De ramingen van de prijselasticiteit zijn gebaseerd op gegevens voor 2019; de gevolgen van de coronapandemie zijn hierin dus niet meegenomen.

[4] Meer informatie over de methodiek van het input-output-model is te lezen in deze publicatie.

[5] Zie deze publicatie voor de sectorverdeling.

 

 

Het bericht Brexit update – Langverwachte brexit met langetermijngevolgen verscheen eerst op Insights.

Source

Categorised in: ABN Amro, Economie, Research